Verlichte vrouwen uit China (deel 3)

Een blog in meerdere delen over vrouwen uit het oude China, die tijdens of na hun leven op aarde verlichting (of: transcendentie) bereikten. Hun levens werden opgetekend door de taoïstische meester en kroniekschrijver Du Guangting (850-933) in zijn werk “Yongcheng jixian lu”. Het bijzondere aan dit werk is, dat het uitsluitend aan vrouwelijke (taoïstische) heiligen en godinnen gewijd is. Ook blijkt verder dat deze vrouwen verschillende levensgeschiedenissen hebben, alsof het werk een voorbeeld en hart onder de riem wil zijn voor al die vrouwen uit Du’s tijd, die spirituele oefeningen in de praktijk willen brengen. We zien jonge vrouwen, oude vrouwen, afgetobde huismoeders, kluizenaressen, weduwen en ‘anorectische’ nonnen de revue passeren. Er is duidelijk niet één enkel pad dat naar verlichting leidt, zo kan men afleiden uit het werk. Van dogmatisme lijkt geen sprake te zijn, hooguit van paralellen in de opgetekende karakters en levens. De meeste van de vrouwen uit de Yongcheng jixian lu leefden tijdens de Tangperiode in China, die grofweg van 618 tot 907 duurde. Wie waren deze vrouwen, wat voor leven leidden zij? In dit deel aandacht voor Mevrouw Wang.

chinese tang women2

Chinese vrouwen uit de Tangdynastie

Mevrouw Wangs verhaal is het voorbeeld van een vrouw, die een groot deel van haar leven streefde naar spirituele verlichting (aanvankelijk via het boeddhisme, later ook via het taoïsme). Door de eisen van het huwelijk en een gezinsleven lukt het haar echter niet om dit al tijdens haar leven te bereiken. Ook raakt ze, vlak na haar huwelijk, chronisch invalide. Ze geneest hiervan op wonderbaarlijke wijze. In haar dankbaarheid smeedt ze boeddhisme en taoïsme samen: ze wijt haar ziekte aan het teveel opgaan in alledaagse beslommeringen van een alledaags leven en blijft haar hele leven streven naar verlichting en transcendentie van ziel en lichaam.

Wanneer ze op haar sterfbed ligt, realiseert ze zich dat ze eigenlijk nog twintig jaar nodig heeft om dit te bereiken. In die twintig jaar kan ze haar emoties, hart en organen zuiveren. Ze vertelt aan haar geliefden dat ze gaat sterven, en dat ze haar als ze dood is naar het bos moeten brengen en haar daar achterlaten bij een scherm van cederhout. Volgens een taoïstische traditie kan ze dan als geest verder leven in een soort van ‘spare time’, en zo alsnog ‘transcendentie’ bereiken. Onderdeel hiervan vormt het zuiveren van het lichaam, en na de gevraagde extra tijd kunnen de mensen hiervan getuige zijn als ze het lichaam opzoeken: het is dan een leeg omhulsel, maar voorts intact en welriekend gebleven.

Op haar sterfbed vertelt mevrouw Wang aan haar familie:
“Ik heb redelijk laat het pad van verlichting gekozen, en daarom nog niet in praktijk kunnen brengen wat ik heb geleerd. Wanneer ik serieus terugkijk op mijn ‘fouten’, heb ik daar mateloos spijt van. Mijn leven lang, door de ziekte die inherent is aan alledaags gedrag in een alledaags bestaan, heb ik geneigd naar jaloezie en afgunst. Mijn hart wordt nu nog belemmerd, mijn opslagplaatsen [orgaansystemen] zijn zwart, en vitale adem stroomt nu nog niet langs de geëigende banen. Ik moet mijn afgezonderde binnenste visualiseren, mijn vorm verfijnen, mijn hart wassen, en mijn opslagplaatsen transformeren. Na twintig jaar oefening zal ik dan zeker in staat zijn om als een cicade uit haar omhulsel te breken.”*

chinese tang women

Chinese vrouwen in de Tangdynastie

Diezelfde nacht sterft mevrouw Wang en wordt ze begraven zoals zij dat wenst. Twintig jaar later wordt ze gevonden door dieven die haar lichaam achterlaten op een hoop vuil. Tijdens de daaropvolgende koude wintermaanden horen en zien de mensen uit het dorp ineens donder en bliksem vanachter het cederhouten scherm. Haar familie snelt erop af en als ze haar lichaam vinden, blijkt deze zo licht te zijn als een leeg omhulsel. Haar vlees, nagels en haren zijn intact gebleven, maar aan haar rechterzijde zit een groot opengebarsten litteken. Mevrouw Wang wordt later herbegraven. Hierop besluit haar echtgenoot ook de de Weg –de Tao- te gaan volgen.

* Bron: Suzanne Cahill, Divine Traces of the Daoist Sisterhood, Three Pines Pines, New Mexico, 2006, p. 117.