In den beginne was er de vrouw?

nuwa

DeChinese godin Nu Kua

Opvallend veel scheppingsverhalen vertellen over een vrouwelijk begin, van waaruit later een mannelijk principe ontstaat. Zo ook de verhalen uit mesopotamië en egypte die een inspiratiebron voor de bijbel vormden. Het mannelijk principe in de hoedanigheid van een god of reus scheidt de oerelementen van elkaar. Mannelijk en vrouwelijk worden gescheiden, en ook hemel en aarde. Voorheen was alles een grote oersoep of chaos. De angst om opnieuw te worden opgeslorpt in deze oerbrij en alzo roemloos ten onder te gaan, is echter altijd aanwezig gebleven in de fantasie van veel kunstenaars en ook in ons collectief onderbewuste.

De bijbel is geschreven in een tijdperk waarin het verlangen naar eer en roem begon te groeien; dit betekende een losworstelen van de greep van de grote moeder, zoals vertolkt in de riten en verering van de grote godin. De herinnering aan deze godin moest daarom zoveel mogelijk uitgewist worden: bij de samenstelling van de teksten voor de bijbel zijn díe teksten en verhalen, die nog aan deze tijd herinneren, zo goed als mogelijk weggelaten. Ook het oerbegin, de moeder van alles, is weggelaten. Genesis begint op een moment in de schepping, waarop het een heroïsche god gelukt is orde aan te brengen in de oorspronkelijke verstrengeling van de oerelementen. Daar pas begint het verhaal.

Intussen zou het verhaal van ‘le gouffre féminin’, de mythe van de onpeilbare duistere afgrond in de vrouw, zijn eigen leven gaan leiden in onze culturele geschiedenis. Tijd om haar –de (verslindende?) Oermoeder van alles- te verkennen en ‘omhoog te halen’, want volgens een joodse overlevering ligt de herinnering aan haar erop te wachten in ons bewustzijn op te stijgen, opdat we verlossing kunnen bereiken.

InannaDumuziSeatedDatePalmInvestiture

Inanna en Dumuzi

De bijbel vertelt ons veel, maar lang niet het hele verhaal. Zoveel wordt duidelijk wanneer je de verschillende scheppingsverhalen van over de hele wereld met elkaar vergelijkt. Je ontdekt dan dat de teksten die in het Oude Testament bijeengebracht zijn, naadloos passen in de tijd van de overgang van een matrifocale (focus op de moeder/ Godin) naar een patrifocale (focus op de vader/ God) samenleving. Deze ontwikkeling vindt bijna mondiaal plaats over een periode van enkele duizenden jaren tijd. In diezelfde periode wordt het schrift uitgevonden en verfijnd en worden vele orale overleveringen in een materiële vorm gegoten, dat wil zeggen van het ‘floue’ (wazige en nevelachtige) naar het ‘geordende’ overgebracht, van het ruime naar het enge, waar de oorspronkelijke magisch-esoterische weidsheid steeds meer ingekapseld wordt. De aard van het schrift vereist dat het dynamische door het statische vervangen wordt; hierdoor ontstaat een knik in de lijn naar de wereld van de symboliek en de kraamkamer van oeroude wijsheid over de schepping van de wereld. In Plato’s Phaedrus wordt er reeds op gewezen dat, hoe paradoxaal dit misschien ook klinkt, mensen door het schrift juist dingen zullen gaan vergeten, omdat ze niet meer vertrouwen op hun geheugen of hun innerlijke wijsheid. Deze wijsheid is een wijsheid ‘voorbij de taal’ en kan niet meer uitsluitend vanuit de letter verstaan worden.

gilgamesj1

De held Gilgamesj

Een voorbeeld van deze wijsheid zijn de archetypen en mythen: deze willen doorleefd en gevoeld, en van binnenuit begrepen worden. De verhalen waarin ze verschijnen kunnen veranderen, zelfs totaal herschreven worden; ze gaan met hun tijd mee en nemen elementen over uit culturen en verhalen waar ze mee in aanraking komen. Een mooi voorbeeld is de heerschappij binnen de mythologische onderwereld: eerst zat daar vaak een godin op de troon, later zien we daar steeds vaker ook een god. Hetzelfde geldt voor het verhaal van de Godin: eerst heerst zij alleen, vervolgens neemt ze zich een geliefde (waarbij haar geliefde ieder jaar weer het leven laat teneinde de cyclus van dood en wedergeboorte van de natuur en de vruchtbaarheid te voltooien), trouwt ze en wordt uiteindelijk verbannen door haar echtgenoot, die alleen op de troon wil zitten. Gaandeweg verliezen we haar spoor ook in het Oude Testament.

marduk_and_the_dragon

Marduk verslaat Tiamat

Verhalen veranderen echter ook als onderdeel van een doelbewuste aanpak; dit zien we bijvoorbeeld vaak bij nieuwe machthebbers die op die manier het te beheersen volk wensen af te snijden van zijn eigen geschiedenis. Kijk bijvoorbeeld naar de tactiek van de ‘culturele revolutie’ van de communistische machthebbers. De macht van kunst en literatuur mag nooit onderschat worden, ditzelfde geldt voor de macht van het schrift wanneer het schrift geleidelijk overgaat in de Schrift. Van het christendom is bekend dat waar dit het paganisme of heidendom niet heeft kunnen uitbannen, het ertoe overging elementen uit de omringende godsdiensten te assimileren en te christianiseren. Denk bijvoorbeeld aan de Egyptische Isis en Osiris, respectievelijk voortlevend in Maria en Jezus.

Welnu, wanneer je verschillende scheppingsverhalen gaat vergelijken met hetgeen in Genesis verteld wordt, ontdek je dat vóór ‘In den beginne schiep God hemel en aarde’ zich kennelijk al een hele geschiedenis heeft afgespeeld, en dat de god uit het oude testament mogelijk een latere-generatie-god is. De god die uiteindelijk ‘hemel en aarde’ schiep op dezelfde manier waarop men, als men een appel in tweeën snijdt, een linker- en een rechterhelft schept. De appel heeft men echter niet geschapen, die was er al, men heeft alleen de twee helften gemanifesteerd, die reeds besloten waren in de vol-ledigheid van de appel. Vergelijk maar eens de volgende scheppingsverhalen (alle voorbeelden komen uit ‘Bronnen van de westerse esoterie’ van Jacob Slavenburg en John van Schaik; hierbij zij opgemerkt dat menige tekst reeds uit het patriarchale tijdperk- grofweg vanaf ca. 1500 v. Chr- stamt):

Egypte:
Uit de grenzeloze Chaos (Noen) rijst een oerheuvel op, waarop Atum zich manifesteert. Dat zet de hele schepping in beweging. Deze ‘koning’ werd in de Noen gebaard, toen de hemel niet bestond, toen de aarde niet bestond, toen nog niets bestond van wat tot stand gebracht werd.

India:
Uit de onkenbare duisternis, zonder vorm en buiten rede en waarneming, verscheen het verheven en in zichzelf bestaande Wezen. Hij manifesteerde dit universum in de vorm van de grote elementen. Door te denken bracht hij de wateren tot stand en stortte daarin zijn zaad. De wateren werden Nárás genoemd, het zijn de dochters van Nara, en omdat zij zijn eerste woonplaats waren, nam hij de naam Náránya aan. Het zaad dat hij erin stortte werd een gouden ei waarin hij een heel jaar verbleef. Daarna verdeelde hij het ei in twee delen. Uit de twee delen maakte hij hemel en aarde, en daartussen de lucht.

Ook:
Er was geen zijn, er was geen niet-zijn. Er was toen geen ruimte en geen firmament erboven. Bestond er water, bodemloos en diep? Er bestond geen dood of onsterfelijkheid, er was geen teken dat de dag onderscheidde van de nacht. Het éne ademde ademloos, uit zichzelf, en buiten dat was er verder niets. Duisternis was toen gehuld in duisternis, dit alles was een vormeloos op en neer golven. De levenskracht die gehuld was in leegte, rees op door de macht van haar gloed.
In den beginne rees het Gouden Zaad op. Zodra dit een embryo werd, was hij de enige heer van de schepping. Aarde en hemel hield hij op hun plaats. Wie is die god, die we moeten eren met offeranden?

Pan_Gu

De Chinese god Pan Gu

China:
Lao Tse: Er was iets gevormd uit chaos,
Dat vóór Hemel en Aarde geboren werd.
Rustig en stil! Zuiver en diep!
Het staat op zichzelf, en verandert niet.
Het kan beschouwd worden als de moeder van Hemel en Aarde.

Ook:
Eerst was sprake van een reusachtig ei, waarin de chaos opgesloten zit. Yin en yang zitten door elkaar, het vrouwelijke en het mannelijke, koud en warm, nat en droog, donker en licht. Uiteindelijk breekt het ei open en de enorme kracht Pan-Gu springt naar buiten. Iedere dag groeit Pan-Gu, en yin en yang worden van elkaar gescheiden. Na Pan-Gu’s dood verandert zijn lichaam in reusachtige bergen, zijn haren worden bloemen en planten, zijn bloed de rivieren, zijn schedel het uiteinde van de hemel, enzovoort.

Europa:
Edda: Er is eerst een peilloze diepte/leegte en chaos. Aan de noordkant ontstaat het rijk van de ijsrivieren Niflheim, aan de zuidkant het rijk van het vuur Muspellsheim. De warme vuurwind doet het ijs smelten en uit de smeltende druppels (water) ontstaat het eerste levende wezen, een reus. Ook komt er een grote koe uit voort, die de min van de reuzen zal worden. Even later ontstaan de goden, die beginnen met het vernietigen van de oorspronkelijke reuzen, waaronder de eerste reus Ymir. Er volgt een zondvloed. Uit het lichaam van Ymir wordt het land (aarde, Midgard) gemaakt en van zijn bloed de grote zee. Van zijn haar bomen en van zijn beenderen de bergen. De schedel wordt hoog op vier reusachtige zuilen gelegd die de windrichtingen definiëren en zo wordt het hemelgewelf gevormd. Uit de hersenen ontstaan de wolken.

Griekenland:
Empedokles: Aphrodite Uranus is de schepster. Zij is niemand minder dan de hemelse liefde. Aphrodite en Neikos (haat) streven elkaar tegen. Neikos drijft voortdurend de elementen uit elkaar. Aphrodite zorgt voor de orde, Neikos voor de wanorde. Nooit komt er een einde aan de voortdurende wisseling van de elementen, die nu eens door Liefde allemaal samenkomen, dan weer stuk voor stuk door de vijandschap van Haat van elkaar wegvliegen.

kosmisch ei welltall Bingen

Of toch een kosmisch ei? Das Welltall, een voorstelling van de mystica Hildegard von Bingen

Ook:
Plutarchus: de scheppende god (demiurg) schept met behulp van de oerchaos. Deze oerchaos wordt door de demiurg geordend. De materie –de vier elementen- heeft voortdurend de neiging om zich te onttrekken aan begrenzingen en vorming om tot chaos te vervallen. Die neiging wordt door de Logos overwonnen. De Logos onderhoudt de harmonie en de ordening in de kosmos.

Verder zijn er natuurlijk vele andere verhalen en filosofische beschouwingen uit het oude Griekenland aan te halen.

Twee dingen vallen in deze verhalen op en kunnen ons iets vertellen over de aard van het vrouwelijke en de aard van het mannelijke. Ten eerste: ófwel wordt er uit het niets, de chaos of de oerzee geschapen (N.B.: kosmos betekent ‘ordening’), ófwel wordt een oorspronkelijke eenheid in twee of meer delen gesplitst (kosmisch ei of een parthenogenetisch –zich zonder mannelijke partner voortplantend- oerwezen als Tiamat) ófwel ‘manifesteert’ zich spontaan iets van aarde/materie in dit oerwezen of de oerzee. Of er nu eerst een ei, chaos, water, oerkoe of eenheid is waaruit alles ontstaat: het zijn woorden met een sterk vrouwelijke connotatie.

Ten tweede valt de rol van het mannelijke op: hij is de onderscheider, de splitser, de ordener van de oerelementen die voorheen allemaal met elkaar verstrengeld waren in één grote oersoep (herken je inmiddels al de grote ketel van onze eigen Europese godinnen?). Het mannelijke ‘zwaard van inzicht’ ziet in en brengt onderscheid aan in deze innige verstrengeling van de natuurelementen. Het maakt de weg vrij voor actie en (helden)daden. Dit in tegenstelling tot het vrouwelijke zwaard uit latere mythen, dat koppen doet rollen om de uitwassen tegen te gaan die niet zullen uitblijven bij dit voortdurende opsplitsen in kleinere deeltjes (analyseren) en proces van individuatie waarbij het ego en de ratio steeds meer op de troon gaan zitten. Ontbinding versus Verbinding, Thanatos versus Eros.

Zover zijn we in het prille begin van de schepping van onze wereld nog niet. Waar echter het Oude Testament begint met ‘In den beginne schiep God hemel en aarde’ hebben we inmiddels ook het spoor teruggevonden van wat daarvóór geweest zou kunnen zijn, en dat is niet weinig, want het gaat om een vroegere geschiedenis van de oervrouw en het vrouwelijke dan het verhaal van Genesis ons vertelt. Dus Eva was niet het eerste vrouwelijke wezen. De vrouw werd niet uit de man geschapen.

Zoals gezegd kunnen verhalen veranderen, en het wordt steeds duidelijker dat de verhalen uit de bijbel nauw verweven zijn met veel oudere verhalen uit de regio in het nabije Oosten (Mesopotamië, Egypte, Kanaän). Ook is inmiddels duidelijk dat de bijbel zelf een selectie is van deze oudere verhalen: veel verhalen of hun varianten werden er niet in opgenomen en een deel van deze niet opgenomen verhalen werd in de twintigste eeuw ontdekt of opgegraven (denk bijvoorbeeld aan de opgravingen in Oegarit, de Dode Zeerollen en de Nag Hammadigeschriften). Voor het eerherstel van de vrouw en het vrouwelijke zijn deze teksten van onschatbare waarde. Maar ook voor de groei van de man en de bewustwording van oeroude patronen in intieme relaties.

carl-jung

Carl Gustav Jung, de grondlegger voor het denken in archetypen en animus en anima in het westen.

Waarom? Om in jungiaanse termen te spreken: een mens heeft zowel zijn animus (mannelijke deel van de psyche) als zijn anima (vrouwelijke deel van de psyche) nodig om zich te ontwikkelen tot een evenwichtig persoon. Deze animus en anima behoren tot ons collectief onbewuste en leven als tijdloze archetypen in onze psyche voort. Nu is het zo dat verhalen kunnen veranderen, maar de archetypen overeind blijven omdat ze nu eenmaal thuishoren in het palet van de evenwichtige of gerealiseerde mens. Het archetype van de Grote Moeder is onderdeel van de anima (denk aan het separatie-individuatieproces dat elk kind moet ondergaan), net zoals de ‘oerverstrengeling’ van de elementen en de ‘oeroceaan’ (denk maar aan het ontstaan van het leven in de baarmoeder).

En in deze ‘oerverstrengeling’ (symbiotische eenheid) en ‘separatie-individuatie’ zit het hem nu juist: daar herkennen we twee van de grootste hartstochten van de mens, alsook twee van zijn grootste angsten. Aan de ene kant de wens om volledig te versmelten, aan de andere kant de angst om volledig opgeslorpt te worden en de eigenheid of ‘zichzelf’ te verliezen. Aan de ene kant de wens om zich als zelfstandig individu te ontplooien, aan de andere kant de angst om volledig alleen, op zichzelf aangewezen, door iedereen alleen gelaten te zijn. De terugkeer naar het paradijs, de symbiose van weleer betekent echter tegelijkertijd het opheffen van het ego, het kleine zelf en andersom zouden Adam noch Eva eeuwig in het paradijs hebben willen vertoeven, omdat er altijd een impuls zal komen om te gaan kennen, zichzelf te kennen en het Al. Met of zonder appel. Dit is dezelfde impuls die mensen die wel eens incarnatieregressie ondergaan hebben, ervaren als ze de prenatale tijd in de baarmoeder of hun allereerste incarnatie als mens (door Pieter Langedijk het ‘oertrauma’ genoemd) herbeleven. Dit is kort gezegd waar verlatings- of scheidingsangst en bindingsangst over gaan.

Maar net zoals de ‘anima’ eeuwenlang verdrongen is in onze samenleving, zo is ook de ‘anima’ of het archetypische vrouwelijke in haar vele gedaanten onderdrukt in of uitgeschreven uit de bijbel. Althans: voor wat betreft dat deel van de Vrouw dat wild, woest, seksueel en verslindend is. Was zij gedood? Je zou het welhaast denken als je het verhaal van Tiamat en Tehom (zie vorige blog) weer voor de geest haalt. “The only good woman is a dead woman,” werd op een gegeven moment zelfs gedacht in de kunst en de literatuur. Helaas hielp al dat rationaliseren en analyseren niet: de magie van de vrouw verdwijnt niet met haar ontlede lichaam en zij kwam dan ook net zo makkelijk via de achterdeur weer naar binnen als demon, chimaera of ander bloeddorstig wezen. Zij vertegenwoordigde de angst voor de afgrond, voor het verzwolgen worden in de duistere diepten, laten we zeggen in de aloude oersoep van elementen. Ook al praat de bijbel niet over de oermoeder, veel kunstenaars en schrijvers hebben deze verbinding van de vrouw met de ‘duistere diepten’ intuïtief aangevoeld bij het ten tonele voeren van de vele beeldschone en bekoorlijke, maar onderhuids ernstig gevaarlijke vrouwen. Camille Paglia heeft een heel boek gewijd aan deze kunstenaars en schrijvers, die in hun werk hun voortdurende strijd laten zien om aan de greep van de Grote Moeder te ontkomen (Het seksuele masker). Daar wil ik graag nog aan toevoegen dat deze kunstenaars en schrijvers, die zich dikwijls door hun gevoeligheid makkelijk met het collectief onbewuste kunnen verbinden, zeer zeker een punt hadden: in ons collectief onbewuste dragen we niet alleen de nu reeds duizenden jaren durende onderdrukking van vrouwen mee, maar ook de vele rituele mannenoffers (en ja ook kinderoffers) die in vroeger tijden voor de Grote Godin gedaan werden.

Een mens die zichzelf wil verwerkelijken, zal in het reine moeten komen met alle archetypische energieën die bij hem of haar als mens horen. Daar hoort het met elkaar verenigen van de animus en anima bij, van het mannelijke en het vrouwelijke. Voor vrouwen is het belangrijk dat ze hun innerlijke Godin, hun Shakti, weer in ere herstellen. Deze Godin is zowel duister als licht, scheppend als vernietigend -maar zij is het in liefde en in vol bewustzijn. Dat is innerlijke alchemie. Ook voor mannen is dit belangrijk, want voor hen geldt dat zij niet verder kunnen groeien zonder hun vrouwelijke helft –de sjechina, Shakti, yin, Sophia of Godin. Volgens een joodse overlevering wachten veel mannen tevergeefs op de komst van een mannelijke verlosser, aangezien zij zal verschijnen als vrouw. In iets andere woorden lezen we in deze geschriften dat de “zeemonsters onderworpen moeten worden (onderwerpen klinkt meer als temmen dan als afslachten!) zodat zij als voedsel zullen dienen.” * Wie de taal der spirituele symboliek verstaat, leest hier wellicht het proces van opstijgen van kundalini-energie en het transformeren van ‘ruwe essentie (jing)’ in terug.

Zo ook:
‘En als alles wat in die (tijds)delen plaats moest hebben is voleindigd, dan zal de Messias zich beginnen te openbaren. En Behemoth zal uit zijn plaats tevoorschijn komen en Leviathan zal opstijgen uit de zee; de twee geweldige monsters die Ik op de vijfde dag geschapen heb en die ik voor die tijd bewaard heb, zullen dan tot voedsel dienen voor allen die zijn overgebleven.’**

De Messias is dus een proces, een geleidelijke openbaring (van binnenuit). Behemoth en Leviathan zijn namen voor de oermonsters, die tevoorschijn komen (vergelijk de kundalini-slang die opgerold ligt onderaan de ruggengraat totdat deze kan opstijgen). Wat in onze onderste chakra’s huist is nauw verbonden met onze onderwereld, en de transformatie hiervan (vergeleken met het transformatieproces van voedsel) is nodig om tot verlossing te komen.

yinyang

Het symbool voor yin (zwart) en yang (wit).

We hebben dus –wederom- die oermoeder (of oeroceaan) nodig en zij is ten onrechte uit de bijbel weggeschreven. Kijk ook maar eens naar de volgende taoïstische spreuk:

‘Ken het witte en behoud het zwarte.’

Het witte staat voor yang (het mannelijke) en het zwarte voor yin (vrouwelijke), zoals zichtbaar in het symbool voor yin en yang. Laten we, in het belang van ons allen, het zwarte weer haar rechtmatige plek teruggeven.

*uit de IVEzra, geciteerd in ‘Bronnen van de westerse esoterie’.
**uit de Apocalypse van Baruch, geciteerd in ‘Bronnen van de westerse esoterie.’